Samenvatting

In hoeverre dient het huidige aansprakelijkheidsrecht omtrent kinderen van veertien tot en met zeventien jaar aangepast worden ter verbetering van de verhaalsmogelijkheden van benadeelden en in hoeverre leidt het hiertoe opgestelde wetsvoorstel 30 519 tot verbetering?

Huidige situatie
De minderjarige als schadeveroorzaker neemt in het huidige civiele aansprakelijkheidsrecht een bijzondere positie in. De algemene persoonlijke aansprakelijkheid in de zin van art. 6:162 BW is niet onverkort van toepassing op de minderjarige. Om de regelingen voor de minderjarige in kaart te brengen moet deze groep onderscheiden worden in drie leeftijdscategorieën, te weten: minderjarigen tot veertien jaar, minderjarigen van veertien en vijftien jaar en minderjarigen van zestien en zeventien jaar. Voor iedere categorie geldt een andere regeling. Minderjarigen tot veertien jaar kunnen niet persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor de schade die hij met zijn (onrechtmatige) gedraging heeft veroorzaakt (art. 6:164 BW). De benadeelde partij wordt de mogelijkheid geboden de schade te verhalen bij de ouders die op grond van art. 6:169 lid 1 BW kwalitatief aansprakelijk zijn voor zover er sprake is van een doen te beschouwen gedraging. Zuiver nalaten kan derhalve niet tot aansprakelijkheid leiden, mits de ouders zich niet bewust zijn geweest van het nalaten. De beperking van persoonlijke aansprakelijkheid op grond van art. 6:164 BW geldt alleen voor minderjarigen tot veertien jaar. Minderjarigen ouder dan veertien jaar kunnen, net als meerderjargen, op grond van art. 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk gesteld worden voor de schade die zij veroorzaken door het plegen van onrechtmatige gedragingen. Naast de persoonlijke aansprakelijkheid biedt art. 6:169 lid 2 BW voor schade veroorzaakt door veertien- en vijftienjarigen een foutaansprakelijkheid voor de ouders. Dit artikel stelt dat ouders aansprakelijk zijn voor schade aan een derde toegebracht door een fout van het kind en gaat uit van de veronderstelling, dat zodra het kind een ander onrechtmatig schade berokkent, de ouders nalatig zijn. Ouders kunnen zich van deze veronderstelde nalatigheid disculperen. Hiervoor moeten zij aantonen dat hen niet verweten kan worden dat zij de gedraging van het kind niet hebben belet. Uit de jurisprudentie blijkt dat de disculpatiemogelijkheid ruim wordt opgevat en snel wordt aangenomen. Minderjarigen van zestien en zeventien jaar worden door de wet niet ontzien van hun aansprakelijkheid. Zij zijn, evenals meerderjarigen aansprakelijk op grond van art. 6:162 BW wanneer aan alle voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan. Het is voor de benadeelde enkel mogelijk de ouders aan te spreken op grond van art. 6:162 BW.

Wetsvoorstel
Het huidige aansprakelijkheidsrecht, op grond waarvan ouders van veertien- en vijftienjarige kinderen zich kunnen disculperen, past volgens dhr. Çörüz, de indiener van wetsvoorstel 30 519, niet (langer) bij de in de samenleving bestaande opvattingen. Ouders kunnen zich vrijpleiten voor de fouten van hun kind door de disculpatiemogelijkheid, waardoor verhaal van schade voor de benadeelde lastig wordt. De door een derde geleden schade, toegebracht door een minderjarige van zestien jaar of ouder komt in de meeste gevallen eveneens ten laste van de benadeelde, omdat enkel de jongere zelf aansprakelijk is en meestal niet over toereikend vermogen beschikt.
Het wetsvoorstel stelt voor de risicoaansprakelijkheid voor ouders te verruimen, zodat zij volledig aansprakelijk gesteld kunnen worden voor toerekenbare onrechtmatige gedragingen van hun minderjarige kinderen, ongeacht de leeftijd van die kinderen. Om dit te bereiken worden er twee wijzigingen voorgesteld; het verruimen van de kwalitatieve aansprakelijkheid en het afschaffen van de disculpatiemogelijkheid van art. 6:169 lid 2 BW. Door het wegnemen van de disculpatiemogelijkheid verandert de foutaansprakelijkheid, gebaseerd op een weerlegbaar foutvermoeden, in een risicoaansprakelijkheid.
Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen door de Eerste Kamer, zal art 6:169 lid 2 BW als volgt luiden:

Voor schade aan een derde toegebracht door een fout van een minderjarige die de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt, is degene die het ouderlijk gezag of de voogdij over de minderjarige uitoefent aansprakelijk. In de onderlinge verhouding met de minderjarige behoeft degene die het ouderlijk gezag of de voogdij uitoefent niet in de schadevergoeding bij te dragen.

In de scriptie wordt vervolgens ingegaan op kritiek geuit door de Raad van State, de vaste commissie voor (Veiligheid en) Justitie, diverse Kamerleden tijdens een wetgevingsoverleg en een aantal juridische schrijvers, waaronder Hartlief, Frenk en Paijmans.

Verzekerbaarheid
Daar de verzekerbaarheid van het risico een ingewikkelde en interessante kwestie betreft, werd in de scriptie hier een hoofdstuk aan gewijd. In dat hoofdstuk is geanalyseerd in hoeverre het wetsvoorstel gevolgen heeft voor de huidige verzekeringspraktijk. Daarbij ligt de focus op de opzetclausule, het subrogatierecht van de verzekeraar en de voorzienbare knelpunten. Bij de uiteenzetting van de knelpunten wordt tevens in beeld gebracht welke mening een aantal juridisch schrijvers zijn toegedaan.

Conclusie
Uit onderzoek naar huidig recht met betrekking tot de verhaalspositie van de benadeelde blijkt dat de benadeelde het risico van onvermogendheid van de dader loopt, nu de verhaalsrechten veelal beperkt zijn tot de minderjarige. Het wetsvoorstel tracht de verhaalspositie van de benadeelde te verbeteren. Uit dit onderzoek blijkt dat aan invoering van het wetsvoorstel niet alleen praktische bezwaren kleven, maar dat ook afgevraagd kan worden in hoeverre het wetsvoorstel het beoogde doel zal bereiken. Uit de knelpunten met betrekking tot de verzekerbaarheid van het risico blijkt zelfs dat het tegenovergestelde bereikt kan worden. Dit is afhankelijk van de reactie van verzekeraars op invoering van het wetsvoorstel. Alvorens het wetsvoorstel aangenomen wordt, is het uitermate belangrijk dat de wetgever na gaat of het risico verzekerbaar is. De mate waarin dit moet worden nagegaan is groot, nu het doel van het wetsvoorstel gericht is op slachtofferbescherming. Blijkt hieruit dat het wetsvoorstel zal leiden tot een aanzienlijke premieverhoging of een verstrekkende beperking in de dekking, dan zal het beoogde doel niet bereikt worden. In dat geval leidt invoering van het wetsvoorstel niet tot verbetering van de verhaalsmogelijkheden van de benadeelde. Laten de verzekeraars de huidige premie in stand en wordt de dekking niet aangepast, dan zal invoering van het wetsvoorstel leiden tot een verbetering van de verhaalsmogelijkheden van de benadeelde.